DIDACTIEK
Geef veel concrete voorbeelden
Voorbeelden uit het dagelijkse leven werken het beste.
Voorbeelden: draaimolen (middelpuntvliedende kracht), hijskraan (katrollen), injectiespuit (pneumatiek) fietsbel (veer), kinderfiets (tandwielen), plantensproeier (pompsysteem), wip (hefboomwerking) etc.
Varieer in didactische werkvormen
Geef afwisselende opdrachten: groepswerk, individueel, discussie, iets doen. Dat houdt de boel levendig.
Droogtijd
Plan je lessen zo, dat kinderen verder kunnen werken, ook al moet de verf of de lijm van hun werkstuk een tijdje drogen.
Opruimen
Hoe ga je regelen wie na afloop alles opruimt? Tip: begin de cursus met een rondleiding. Waar liggen de soldeerbouten? En waar de marktklemmen? Leren ze meteen de naam van de gereedschappen. Schrijf op het bord welke kinderen aan de beurt zijn om op te ruimen. (Op school zijn ze gewend aan 'de weekbeurt').
Raden wat het is
Neem elke keer iets mee. Bijvoorbeeld een stuk gereedschap dat de leerlingen niet kennen (pijpensnijder, popnageltang). Laat het zien aan het begin van de les. Pas aan het einde van de les hierop terugkomen. "Wat denk je dat dit is?" Bij Technika 10 in Veldhoven keken de meiden hier naar uit! De ene keer was het gereedschap, dan weer een chemisch proefje of een goocheltruuk. Zo stimuleer je kinderen om na te denken over hoe iets in elkaar zit en hoe het werkt.
Slopen
Slopen is geweldig leuk en leerzaam om te doen. Geef er wel een duidelijke opdracht bij. Bijvoorbeeld: maak op stevig karton een liggende presentatie (onderdelen vastplakken met dubbelzijdig tape en lijmpistool). Of maak na afloop van de onderdelen een robot. Geef goede instructie over het voorzichtig omgaan met gereedschap zodat fijne schroevendraaiertjes niet als breekijzer worden gebruikt. Wat zwaarder gereedschap (metaalbeugelzaag, bankschroef, tangen) zijn nodig waar schroevendraaiers tekort schieten.
IJsbrekertje, met name voor les aan volwassenen
Voorbeeld 1: Je kunt het namenrondje al meteen gebruiken als inleiding op je verhaal.
Stel jezelf voor en noem een gereedschap uit de techniek of noem een elektrisch apparaat.
Voorbeeld 2: "Wie kan zich nog van haar/zijn eigen basisschooltijd herinneren dat je iets gemaakt had waar je trots op was?"
Voorbeeld 3: "Wie maakt er thuis kleren, of heeft andere hobby's? ( welke technische aspecten zitten er aan deze hobby? Wat is er zo leuk aan om het doen?, wanneer ben je het meest trots etc)."
Voorbeeld 4: Begin met alle bezwaren op te noemen die je verwacht te zullen horen, geef er een humoristische draai aan.
Voorbeeld 5: Laat ze allemaal iets simpels technisch doen, en zeg daarna dat iedereen in de groep aanleg voor techniek heeft.
Voorbeeld 6: Vraag welke associaties het woord techniek bij hen oproept. Hoe komt men op deze associaties? In hoeverre kloppen de associaties/zijn ze getoetst aan werkelijkheid?
Voorbeeld 7: Neem een gadget mee, iets technisch waarvan ze moeten raden wat het is. Als ze het niet weten, moeten ze iets fantaseren.
Voorbeeld 8: Start met het analyseren van een voorwerp: waarom ziet het eruit zoals het eruit ziet?
Aansluitend zou je de opdracht 'tell sell' doen: geef iemand een voorwerp waarvan hij/zij niet weet wat het is. Hij/zij moet een verhaal houden over het voorwerp waarvoor het dient. Bij de nabespreking kun je meteen concluderen dat men al veel kennis van gereedschap heeft, of dat techniek overal om ons heen is.
|